'We hebben alle expertise onder één dak, dat is onze kracht’

  • 5 min.
  • Duiding

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is hét expertisecentrum in Nederland voor post-mortem onderzoek bij misdrijven. Welke toxicologische en biochemische testen worden daarbij gebruikt, op welke lichaamsvloeistoffen worden die uitgevoerd en welke informatie levert dat op? Jeroen Roosendaal, forensisch toxicoloog bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), geeft uitleg. 

Foto (kleur) Jeroen Roosendaal
Beeld: NFI

Drie jaar geleden werd Rahiied A., leerling-verpleegkundige, veroordeeld voor elf insulinemoorden op ouderen in verschillende verzorgingshuizen. A. had bij de ouderen insuline ingespoten, waardoor ze een hypoglykemie kregen en overleden. Het scheelde weinig of niemand had onderkend dat er sprake was van moord, want uitwendig was er aan de ouderen niets te zien.

Er waren geen aanwijzingen voor een misdrijf, vertelt Jeroen Roosendaal. De toxicologen van het NFI konden echter met biochemisch onderzoek, waaronder onderzoek op huidbiopten en glasvocht, sporen aantonen van toegediend insuline. Ook bij ouderen die geen diabetes hadden, en geen toegediend insuline in hun lichaam zouden moeten hebben.

Het is een voorbeeld van het toxicologisch en biochemisch sporenonderzoek van Roosendaal en zijn collega’s om misdrijven te helpen oplossen, legt hij uit. Met 300 – 400 casussen per jaar, gemiddeld één per dag, is het NFI hét expertisecentrum in Nederland dat dergelijk post-mortem onderzoek uitvoert. ‘Al doen we ook onderzoek bij levende mensen,’ benadrukt Roosendaal. ‘Denk aan slachtoffers van zedenmisdrijven of mishandelingen. Was een slachtoffer bijvoorbeeld onder invloed van slaapmedicatie, waardoor het zich minder kon verweren tegen de dader?’ 

Compleet beeld

Zaakonderzoek, ofwel onderzoek naar misdrijven, wetenschappelijk onderzoek én delen en uitdragen van expertise, bijvoorbeeld in de vorm van nascholing aan politie, recherche en ziekenhuisapothekers, en soms ook aan klinisch chemici, dat zijn de drie kerntaken van het NFI, vertelt Roosendaal. Uniek aan het instituut is dat alle deskundigheidsgebieden, waaronder pathologie, het DNA-onderzoek en het toxicologisch lab, waar ook het biochemisch onderzoek onder valt, zich onder één dak bevinden. ‘Er vindt daardoor veel kruisbestuiving plaats, en we werken ook veel multidisciplinair samen.’ 

Dat is niet alleen een kracht, het is zelfs noodzaak, vervolgt hij. ‘We werken bijvoorbeeld nauw samen met de patholoog. Die doet het uitwendig en inwendig onderzoek, voert veelal een CT-scan uit om breuken te achterhalen en verzamelt materiaal voor toxicologie en biochemie. Daarna doen wij het toxicologisch en biochemisch onderzoek. Het is cruciaal dat we alle informatie vervolgens bij elkaar brengen. Doen we dat niet, dan lopen we het risico dat we mogelijke oorzaken van overlijden over het hoofd zien. We hebben dan bijvoorbeeld wel toxicologisch onderzoek gedaan, maar hebben gemist dat de overledene vlak vóór overlijden een hartinfarct heeft gehad. Want dat is het werk van de patholoog.’

Postmortale veranderingen

Postmortale veranderingen na overlijden, voor de forensisch toxicoloog vormen die de grootste uitdagingen in zijn of haar onderzoek. ‘Als je overlijdt, vinden er lichamelijke veranderingen plaats. Concentraties van lichaamseigen of lichaamsvreemde stoffen veranderen daardoor. Bij een levende persoon weten we veelal wat de normaalwaarden zijn van zijn bloed of urine. Dat zijn de referentiewaarden waarmee we kunnen toetsen of een stofconcentratie al dan niet binnen de normaalwaarde valt. Na overlijden verandert dat. Des te meer omdat het ons veelal ontbreekt aan post-mortem referentiewaarden. Daar wordt wereldwijd veel onderzoek naar gedaan.’

Wat Roosendaal in zijn post-mortem onderzoek vooral wil weten is: welke stoffen waren er op moment van overlijden in het lichaam, in welke concentraties waren deze stoffen aanwezig en welk effect hebben ze gehad op het overlijden, maar bijvoorbeeld ook op bewustzijn en/of gedrag ten tijde van overlijden? ‘Om zo’n analyse goed te kunnen uitvoeren moeten we rekening houden met alle post-mortem veranderingen. We doen daarom het liefst onderzoek op lichaamsmateriaal dat zoveel mogelijk representatief is voor de stofconcentraties bij leven. Bloed en organen in het centrale deel van het lichaam vallen daarmee af, want daar vinden de grootste post-mortem veranderingen plaats. Voor het toxicologisch onderzoek halen we liever bloed uit de dijbenen. En voor biochemie is het glasvocht in het oog een gouden standaard. Het oog is een omkapselde omgeving. Het oogvocht is daardoor verhoudingsgewijs meer beschermd tegen post-mortale veranderingen dan andere organen. Het is daarmee meer representatief voor lichaamsconcentraties bij leven. Door het oogvocht van ouderen te analyseren hebben we de casus Rahiied A. ook kunnen oplossen.’ 

Sneller en meer gericht onderzoek

De ontwikkelingen gaan snel in het post-mortem onderzoek, constateert Roosendaal. ‘Denk aan de doorontwikkeling van onderzoekstechnieken, zoals massaspectrometrie. Onze internationale samenwerking met andere forensische instituten wereldwijd helpt daarbij. We delen expertise, bezoeken elkaars congressen en doen samen wetenschappelijk onderzoek. Zo loopt er veel onderzoek naar de meest geschikte onderzoeksmatrices voor het post-mortem onderzoek, zoals femoraal bloed, urine, synoviaal vocht en spierweefsel en dus ook oogvocht. Juist omdat we willen weten welke matrices het meest representatief zijn voor de lichaamsconcentraties bij leven.’

Ambities heeft Roosendaal voldoende. Zo zou hij graag zien dat het toxicologisch en biochemisch onderzoek meer ‘naar voren’ zou worden gehaald. ‘We doen nu altijd een eerste screening, en daarna doen we vervolgonderzoek. Soms gaan er twee, drie weken overheen voordat alle uitslagen bekend zijn. Dat kan, maar het zou mooier zijn als we meer onderzoek al in de eerste 24 uur na het overlijden konden uitvoeren. Dat is prettig voor onze aanvragers, politie en recherche. Zij hebben dan sneller alle informatie in handen waarmee ze hun opsporingsonderzoek kunnen vervolgen. En ook voor onszelf is het prettig, omdat we dan eerder en meer gericht kunnen beoordelen welk aanvullend toxicologisch of biochemisch onderzoek we eventueel nog moeten uitvoeren. Dat komt de snelheid, kwaliteit én efficiëntie van ons onderzoek ten goede.’

Nader Overlijdensonderzoek Forensisch Arts (NOFA)

Is iemand overleden door een hartinfarct of is iemand mogelijk van de trap geduwd? Het zijn dit soort vragen die (eerstelijns) forensisch artsen trachten te beantwoorden. Zij komen ter plekke om te bezien of iemand op natuurlijk wijze is overleden of dat er mogelijk sprake is van een misdrijf. Het NFI gaat samen met forensisch artsen, het Maastricht Universitair Medisch Centrum (MUMC+) en het Groene Hart Ziekenhuis onderzoek doen of en hoe forensisch artsen beter ondersteund kunnen worden in hun onderzoek naar de doodsoorzaak. Jeroen Roosendaal is samen met Bart Latten, forensisch patholoog van het NFI, één van de trekkers van dit zogenoemde Nader Overlijdensonderzoek Forensisch Arts (NOFA), dat wordt gesubsidieerd door ZonMw.