WAT WEET U NOG?

Wat weet u nog? | Thema: Auto-immuundiagnostiek

  • 5 min.
  • Opleiding

In deze rubriek worden enkele vragen uit een recent AIOS-tentamen besproken. De antwoorden en toelichting vindt u onderaan de pagina.

Verdiepingstentamen 2018

Vraag 14

Op de poli Reumatologie komt een 31-jarige mevrouw met vlindervormige huidafwijkingen in het gezicht, haaruitval en pijn in de handgewrichten. De reumatoloog denkt aan SLE. De screening voor ANA met behulp van indirecte immunofluorescentie is positief. Verdere specificiteit zal bepaald worden middels ELISA.

Welke anti-nucleaire antistoffen zijn in uittypering vaak positief bij SLE-patiënten? Noem de drie meest voorkomende.

Vraag 15

Na uitvoerig onderzoek en een nierbiopt wordt bij deze vrouw SLE vastgesteld. Enkele maanden later komt zij langs op de poli met een verergering van de klachten. Er wordt labonderzoek aangevraagd naar onder andere complementfactoren. Geef per parameter aan of je verwacht dat de uitslag bij deze patiënte verlaagd, normaal of verhoogd is ten opzichte van de referentiewaarden.
C1q
C3
C4
CH50

Vraag 53

Welke antistoffen zijn geassocieerd met auto-immuun aandoeningen van de nier? Schrijf de letters van je keuze op.

  1. Anti-PLA2R
  2. Anti-MOG
  3. Anti-ZnT8
  4. Anti-GBM

Verdiepingstentamen 2019

Vraag 45

Bij verdenking van een ANCA-geassocieerde vasculitis is een ANCA door middel van indirecte immuunfluorescentie (IIF) de eerste keuze. De solid-phase assay dient alleen gebruikt te worden ter confirmatie van een positief resultaat. Juist/onjuist?

Vraag 60

Bij diagnostiek naar auto-immuunziekten wordt een positieve ENA-screen uitgesplitst in verschillende autoantistoffen. Match onderstaande auto-immuunziekten met de bijpassende autoantistof door de juiste cijfers bij de juiste letters te zetten.

a. Systemische lupus erythematodes  1. Anti-centromeren 
b. Syndroom van Sjögren  2. Anti-RNP 
c. Mixed connectivetissue disease 3. Anti-Jo-1 
d. Polymyositis  4. Anti-Sm 
e. Gelimiteerde systemische sclerose  5. Anti-SS-AA 

Verdiepingstentamen 2020

Vraag 2

Een jongeman van 15 jaar presenteert zich bij de huisarts met sinds zes weken buikpijn en waterdunne ontlasting gedurende meerdere keren per dag. De huisarts wil onderscheid maken tussen een mogelijke inflammatoire darmaandoening en het prikkelbare darmsyndroom.

Wat is de rol van een HLA-typering bij de vraagstelling coeliakie?

Vraag 3

Welke omstandigheden kunnen leiden tot een fout negatieve uitslag bij coeliakiediagnostiek? Schrijf de letters van je keuze op.

  1. Leeftijd
  2. Lactose-intolerantie
  3. Glutenvrij dieet
  4. Infectieuze diarree

Vraag 26

Een 48-jarige vrouw wordt door de huisarts verwezen naar de internist. Ze heeft regelmatig last van pijn in de buikstreek en rug, ze is soms wat afwezig en ziet ook een beetje geel. Bij oriënterend onderzoek van de huisarts zijn eerder verhoogde leverenzymen aangetoond, maar uitgebreid serologisch onderzoek naar virale hepatitis was herhaaldelijk negatief. De internist denkt in de differentiaaldiagnose aan auto-immuun hepatitis of primaire biliaire cholangitis.

Welke immunologische laboratoriumonderzoeken adviseer je, naast ANA bepaald met de fluorescentiemethode, aan de internist om deze diagnoses te ondersteunen?

Vraag 27

Een 51-jarige vrouw heeft regelmatig last van haar gewrichten, meestal aan beide zijden tegelijk en soms eenzijdig. Vooral de gewrichten van haar handen en voeten zijn dan dik, rood en voelen warm aan. De klachten verdwijnen soms even, maar komen daarna weer terug. De internist heeft op basis van de klachten een waarschijnlijkheidsdiagnose gesteld.

Welk immunologisch laboratoriumonderzoek adviseer je aan de internist om deze diagnose te ondersteunen?

Vraag 28

Granulomatose met polyangiitis (GPA), eosinofiele GPA (EGPA), en microscopische polyangiitis (MPA) zijn bekende vormen van ANCA-geassocieerde vasculitiden. Geef het meest passende uitslagenprofiel bij 1) GPA 2) EGPA en 3) MPA. Verbind hiervoor de juiste letter met het juiste cijfer.

A: PR-3-antistoffen en een p-ANCA immunofluorescentiepatroon
B: MPO-antistoffen en een p-ANCA immunofluorescentiepatroon
C: PR-3-antistoffen en een c-ANCA immunofluorescentiepatroon
D: MPO-antistoffen en een c-ANCA immunofluorescentiepatroon

Antwoorden verdiepingstentamen 2018

Vraag 14

In volgorde van voorkomen:

  1. Anti-dsDNA
  2. Anti-Ro/SS-a
  3. Anti-U1RNP
  4. Anti-Sm/Anti-SmD

Toelichting: anti-dsDNA en anti-SmD zijn zeer specifieke antistoffen voor SLE. AntiRo en anti-U1RNP komen relatief vaker voor dan anti-SmD in SLE-patiënten, deze zijn echter niet ziektespecifiek en komen ook bij patiënten met andere autoimmuunziekten voor.

Vraag 15

Allen verlaagd.

Toelichting: één van de 2019 EULAR/ACR classificatiecriteria voor SLE is een verlaagd C3 en/of C4 (1). Depositie van immuuncomplexen in de nier veroorzaakt complementactivatie via de alternatieve- en klassieke route waarbij complement 3, 4, en 1q verbruikt worden. Door de relatieve hypocomplementemie die daardoor ontstaat, zal in een CH50 test, de activiteit van de klassieke pathway verlaagd zijn en CH50 dus verlaagd.

Vraag 53

A (anti-PLA2R) en D (anti-GBM).

Toelichting: anti-PLA2R is sterk geassocieerd met mebraneuze nefropathie en anti-GBM met GBM-nefritis (Goodpasture syndroom). PLA2R antistoffen zijn gericht tegen de fosfolipase receptor A2 in de uitlopers van de podocyten in de glomeruli en GBM-antistoffen tegen het glomerulair basaalmembraan. Antistoffen tegen myelin oligodendrocyte glycoproteïne (MOG) zijn geassocieerd met neuromyelitis optica en multipele sclerose. ZnT8 antistoffen zijn daarentegen sterk geassocieerd met diabetes type I.

Antwoorden verdiepingstentamen 2019

Vraag 45

Hoewel de IIF een meerwaarde kan hebben in het detecteren van anderen ziekten zoals inflammatoir darmlijden en autoimmuun hepatitis, is in 2017 een internationale consensus bereikt dat voor ANCA-gemedieerde vasculitis de specifieke solid-phase immunoassays de test van eerste keus zijn (2).

Vraag 60

A4, B5, C2, D3, E1

Antwoorden verdiepingstentamen 2020

Vraag 2

HLA-typering wordt geadviseerd om coeliakie uit te sluiten. Bij afwezigheid van HLA-DQ2 en/of DQ8 is verder onderzoek niet geïndiceerd omdat afwezigheid van HLA-DQ2 een sterke negatief voorspellende waarde heeft voor de afwezigheid van coeliakie. Bij aanwezigheid van HLA-DQ2 en/of DQ8 wordt serologisch onderzoek verricht.

Vraag 3

A, C

Welke omstandigheden kunnen leiden tot een fout negatieve uitslag bij coeliakiediagnostiek? Schrijf de letters van je keuze op.

  1. Leeftijd
  2. Lactoseintolerantie
  3. Glutenvrij dieet
  4. Infectieuze diarree

Toelichting: leeftijd speelt een rol bij coeliakiediagnostiek. In de ESPGHAN-richtlijnen wordt aanbevolen totaal IgA, antitTG IgA en eventueel een antitTG-IgG te doen(3). Kinderen met coeliakie die jonger zijn dan 2 jaar hebben vaak nog geen positieve titers in de anti-tTG-IgA- en anti-endomysium-IgAtesten. Als alternatief kan dan getest worden op de aanwezigheid van DGP-antistoffen. Een glutenvrij dieet kan ook van invloed zijn en kunnen voor foutnegatieve resultaten zorgen in de tTG/endomysium testen. Derhalve wordt aangeraden voor en tijdens de diagnostische fase een glutenbevattend dieet te volgen. Vanaf 14 dagen tot een maand na aanvang van het glutenbevattend dieet kunnen stijgingen in anti-tTG, anti-endomysium en anti-gedeamineerd gliadine waargenomen worden (4).

Vraag 26

Auto-immuunhepatitis: antigladde spiercellen (anti-smooth muscle cells, ASMA; type 1 AIH), LKM1 antistoffen (type 2 AIH), totaal IgG.

Primaire biliaire cholangitis: anti-mitochondriële antistoffen (AMA).

Vraag 27

CCP-antistoffen en/of reumafactor.

Beiden kunnen de diagnose reumatoïde artritis (RA) ondersteunen. Echter is reumafactor, ondanks zijn naam, niet specifiek voor RA. Anti-CCP antistoffen zijn daarentegen zeer specifiek voor RA (>95% specificiteit) maar komen slechts bij 50-60 procent van de RA-patiënten voor.

Vraag 28

1C, 2B, 3B