KEYNOTE SPEAKER JOCHEN CALS

‘De relatie tussen laboratorium en huisarts kan beter’

  • 5 min.
  • Innovatie

Keynote speaker op het NVKC-voorjaarscongres is prof.dr. Jochen Cals, huisarts in Sittard en hoogleraar effectieve diagnostiek in de huisartsgeneeskunde in Maastricht University. Hij vindt dat juist bij diagnostiek multidisciplinaire samenwerking tot de best bruikbare wetenschap voor de dagelijkse praktijk leidt. Met stellingen als ‘De blik moet naar buiten als je niet overrompeld wil worden door het megalab’ zal hij de aanwezigen op het congres ongetwijfeld weten te prikkelen.

Portretfoto (kleur) Jochen Cals
Prof. dr. Jochen Cals

Wat hij exact gaat vertellen tijdens het voorjaarscongres weet hij op het moment van spreken nog niet: ‘Maar wetende dat de zaal vol klinisch chemici zit, zal ik zeker ingaan op hoe huisartsen in het land enorm geholpen zouden zijn met een goede samenwerking met hen’, zegt Cals. En die relatie kan beter, zo stelt hij. ‘Nu is die relatie vaak onzichtbaar. Het lab is voor menig huisarts een soort black box waar hij of zij buisjes bloed naartoe stuurt; vervolgens komt er een uitslag terug. Ik denk dat die relatie veel meer meerwaarde kan hebben. De huisarts komt wat betreft het interpreteren van labuitslagen vaak niet verder dan de huis- tuin- en-keukentestjes, terwijl de klinisch chemicus daar veel meer expertise in heeft. Bij afwijkende uitslagen kan hulp voor de huisarts zeer waardevol zijn voor de vervolgdiagnostiek.’

Core & Satellite

Cals vertelt dat hij op het congres zeker de Core & Satellite-samenwerking, zoals hij die noemt, zal aankaarten. Het lab is dan de core en verschillende huisartsenpraktijken in de regio zijn de satellites. ‘De huisartsenpraktijken werken in deze constructie nauw samen met het lab. Zij kunnen gemakkelijk overleggen over een ingewikkelde kweek of een zeldzaam beeld. Als een huisarts zo’n zeldzaam beeld een of twee keer per jaar ziet, betekent dit dat het lab dat beeld tientallen keren per jaar voorbij ziet komen en dat dus sneller kan interpreteren. Daar zit duidelijk een meerwaarde van het lab voor de huisarts. In zo’n regionale structuur kan laagdrempelig samengewerkt worden en zijn laboratoriumspecialisten óók consulent voor de huisarts. Nu vragen huisartsen vaak direct de mening van een medisch specialist in het ziekenhuis, maar dat is lang niet altijd nodig: de klinisch chemicus weet ook veel.’ Met een Core & Satellite-constructie verplaats je niet de patiënt, maar de kennis, zegt Cals bovendien. ‘Een huisarts vindt in veel gevallen dat een patiënt eigenlijk niet naar het ziekenhuis hoeft, maar dat de specialist daar wel mee moet denken over de diagnostiek. En dat kan efficiënter dan nu vaak gebeurt. Er zijn voldoende digitale mogelijkheden, bijvoorbeeld via Zorgdomein. Het Zuyderland werkt met meedenkconsulten; het blijkt dat bij 85 procent van de vragen aan de internist de huisarts al diagnostiek heeft gedaan en dit meeneemt in de vraag. Als het lab in samenwerking met de huisarts uitslagen deelt, kan de specialist daar heel gericht antwoord op geven. Patiënten hoeven daarvoor niet naar het ziekenhuis. Ik geloof sterk in het verplaatsen van kennis en niet in het verplaatsen van de patiënt. Onze vakgroep doet daar onderzoek naar.’

Megalaboratoria

Cals vindt dat de laboratoria de voordelen van een Core & Satellite-samenwerking meer moeten gaan inzien én deze op tijd duidelijk moeten maken aan de verzekeraars. Dat is volgens hem een verantwoordelijkheid voor beide partijen. ‘We moeten verzekeraars vóór zijn, voordat zij besluiten dat megalabs voordeliger zijn. Zulke grote laboratoria zie je in Duitsland veel. Als ik als huisarts in Maastricht dan een buisje bloed stuur naar een megalab – omdat het niet anders kan – komt dat misschien in Eindhoven terecht. Met zo’n enorme black box is het lastig overleggen, laat staan een relatie opbouwen. In de praktijk gaat 80 procent van de patiënten van een huisarts bovendien naar een ziekenhuis in de regio. Labuitslagen die het laboratorium van hetzelfde ziekenhuis levert, zijn dan gemakkelijk te delen met de specialist. Als uitslagen uit een megalab moeten komen, is de specialist in het ziekenhuis niet gekoppeld aan dat laboratorium. Soms moeten testen dan in eigen huis over worden gedaan omdat dat sneller gaat dan uitslagen delen. Dan kan men misschien denken dat een megalab voordeliger is, maar ik moet nog zien of dat in de praktijk echt zo is’, aldus Cals. Kortom, zo vindt hij, diagnostiek is wat huisarts en specialist bindt, met het laboratorium als spil. ‘Dat kan verbindend, ontzorgend en kostenbesparend zijn.’ Volgens Cals zijn veel laboratoria echter nog vooral gericht op buisjes en processen in het ziekenhuis. ‘Maar het bestaansrecht van het lab hangt ook af van de bulk die binnenkomt aan eerstelijnsdiagnostiek. Daar zijn relaties op te bouwen. De blik moet naar buiten als je niet overrompeld wil worden door het megalab.’ De samenwerking tussen laboratoriumspecialist en huisarts vindt overigens ook plaats in de praktijk van de huisarts zelf. Elke huisarts kan zelf point-of-care-tests doen met relatief eenvoudige laboratoriumapparatuur. ‘De huisarts kan die zelf aanschaffen, maar de kwaliteitscontrole van dat soort apparatuur vergt specialistische kennis die laboratoria in huis hebben. Laboratoria zijn in deze samenwerking dan verantwoordelijk voor de installatie en de kwaliteitscontrole. Ook deze relatie kan beter over het voetlicht worden gebracht bij de verzekeraars.’

Te veel diagnostiek

Een ander stokpaardje van Cals is de hoeveelheid aan diagnostiek. Die kan best minder. ‘Wij huisartsen zijn net mensen: als we op een formulier kunnen aanvinken welke tests we graag willen, vinken we er eerder te veel dan te weinig aan. Er komt steeds meer diagnostiek beschikbaar, dus vinken we steeds meer aan. En lang niet altijd is alles medisch relevant. Het is aangetoond dat als je een paar mogelijkheden van het formulier verwijdert, niemand ze mist. Bovendien neemt de hoeveelheid aanvullende diagnostiek af als een arts meer kijk- en luistertijd heeft.’ Cals vertelt dat een Engels onderzoek liet zien dat de door de huisarts aangevraagde laboratoriumdiagnostiek deze eeuw al verdrievoudigde. Hieruit blijkt volgens hem wel dat als je de huisarts toegang tot diagnostiek geeft, hij of zij deze gaat gebruiken. ‘Dit is niet zonder gevaar, want als er een uitslag komt, dan moet je daar iets mee.’


Prof. dr. J.W.L. Cals is hoogleraar Effectieve Diagnostiek in de Huisartsgeneeskunde aan de vakgroep Huisartsgeneeskunde van de Universiteit Maastricht. Zijn onderzoeksgroep doet onderzoek naar bestaande en nieuwe (point-of-care)diagnostiek in de huisartsgeneeskunde. Naast zijn wetenschappelijk werk is hij drie dagen per week huisarts en praktijkhouder van een huisartsenpraktijk in Sittard.