RODEO-project

Overbodige diagnostiek terugdringen is niet zo moeilijk

  • 6 min.
  • Diagnostiek

Ongeveer 20 procent van de laboratoriumdiagnostiek die artsen aanvragen is overbodig, zo laten schattingen zien. Het RODEO-project wil dit percentage omlaag brengen, onder meer door bewustwording en een attitudeverandering bij artsen. De eerste vier deelnemende ziekenhuizen brachten vrij snel het aantal laboratoriumtesten met 11 procent omlaag.1 Landelijke opschaling volgde: inmiddels doen achttien ziekenhuizen mee. Dat is nog niet genoeg.

Portretfoto (kleur) Daniëlle Kroon en Roos Boerman

RODEO is onderdeel van Doen of Laten?, een landelijk programma dat zorgverleners en patiënten bewust maakt dat niet alle zorg effectief is en sommige zorg zelfs schadelijk. Bij Doen of Laten? hoort een aantal projecten die nu landelijk geïmplementeerd worden, waaronder RODEO, dat – overbodige – diagnostiek betreft. Arts-promovendus Daniëlle Kroon (Radboudumc) houdt zich binnen Doen of Laten? bezig met het opschalen van interventies die eerder effectief bleken in het terugdringen van niet-gepaste zorg. Zij vertelt dat ze na het positieve resultaat dat de vier ziekenhuizen bereikten met RODEO, andere ziekenhuizen in het netwerk van Doen of Laten? ging enthousiasmeren om ook met RODEO aan de slag te gaan. ‘Op zich was dat niet moeilijk: men vindt het boeiend om na te denken over goede zorg vanuit klinisch redeneren. Maar hoe begin je dan in de praktijk? Vanuit Doen of Laten? hebben we leernetwerken opgezet, waarin zorgprofessionals van verschillende ziekenhuizen met elkaar praten over bepaalde onderwerpen binnen een overkoepelend thema zoals diagnostiek. Van elkaar leren werkt.’ De leernetwerken komen een paar keer per jaar bij elkaar.

Aanvragen uit gewoonte

Kroon werkt samen met arts-onderzoeker en AIOS interne geneeskunde Roos Boerman (Amsterdam UMC, locatie VUmc). Boerman was als AIOS betrokken bij het RODEO-project in het Meander Medisch Centrum in Amersfoort en houdt zich nu tijdens haar promotietraject ook bezig met de landelijke opschaling ervan. Ze vertelt dat de ziekenhuizen die deelnemen, bijgestaan worden door een team van experts uit het eerste project, ondersteund door een deïmplementatiegids en een toolkit. ‘We hebben verschillende interventies omschreven die men kan inzetten om overbodige diagnostiek te voorkomen, gericht op het laboratorium. In eerste plaats is goed onderwijs hierover natuurlijk belangrijk, maar ook tijdens supervisie kan de vanzelfsprekendheid van het aanvragen van tests aangekaart worden. Daarnaast hebben we posters en zakkaartjes ontwikkeld waarop aandacht wordt gevraagd voor de indicaties en kosten van laboratoriumdiagnostiek. Ook belangrijk is het geven van feedback aan artsen over hoeveel laboratoriumdiagnostiek er wordt aangevraagd. Vaak worden verschillende tests uit gewoonte aangevraagd en wordt er niet altijd over nagedacht.’ Als voorbeeld uit de praktijk noemt Boerman de leverfunctietesten ASAT en ALAT, die bijna altijd samen worden aangevraagd. ‘De combinatie van beide testen is echter lang niet altijd nodig. Als je er intern afspraken over maakt, kan de ASAT-test vaak achterwege blijven. De focus ligt hierbij niet op de kosten, maar op het voorkomen van onnodige diagnostiek. Ook bij relatief goedkope tests moet je overbodige diagnostiek gewoon niet willen. Je belast een patiënt er onnodig mee, als er bijvoorbeeld extra geprikt moet worden.’ Overigens kan er ook onderdiagnostiek plaatsvinden, maar daar zijn voor Nederland zeer beperkt cijfers over bekend.

Aanjager van het project

Boerman voegt eraan toe dat vaak ook het elektronische aanvraagsysteem aangepast moet worden, omdat tests meestal in een pakket worden aangevraagd. Dat bemoeilijkt in de praktijk het níet aanvragen van een test. ‘En wat een heel belangrijke slagingsfactor is, is een aanjager van het project, iemand die het in het ziekenhuis enthousiast onder de aandacht brengt.’ Deze aanjager moet zich verantwoordelijk voelen voor het slagen van het project en wordt idealiter ondersteund door een werkgroep of is hier zelf lid van. Deze werkgroep bestaat bijvoorbeeld bij de Interne Geneeskunde uit een internist, een klinisch chemicus, een AIOS interne geneeskunde en een business controller. Zo’n team lijkt op het oorspronkelijke RODEO-team dat succesvol was. Kroon: ‘Leden van zulke werkgroepen praten in de leernetwerken met elkaar over hoe zaken in hun ziekenhuis gaan. Als je ze dan vraagt een top-5 te maken met onderzoeken en tests die vaak zonder goede reden gebeuren, ontstaat er een lijstje waarmee de werkgroep dan aan de slag kan.’ Inmiddels doen achttien ziekenhuizen mee aan RODEO. Ze zijn op verschillende momenten begonnen. Een aantal ziekenhuizen heeft hun doel al behaald en zijn bezig met de borging van het resultaat. Andere zijn nog bezig met het uitvoeren van interventies. 

Klinisch chemici die met hun ziekenhuis graag zouden meedoen aan het RODEO-project, kunnen contact opnemen met Boerman en/of Kroon. Contactgegevens: danielle.kroon@radboudumc.nl , a.w.boerman@amsterdamumc.nl .

Zorgevaluatie en Gepast Gebruik

Doen of Laten? – en daarmee ook het RODEO-project – stimuleert al sinds 2015 passende zorg in de praktijk. Sinds 2019 is de beweging naar passende zorg versterkt door het programma Zorgevaluatie en Gepast Gebruik (ZE&GG). Hierin werken patiënten, zorgverleners, zorgaanbieders, zorgverzekeraars en overheid samen aan de bewezen beste zorg voor de patiënt. Daarmee is ZE&GG een programma van alle betrokken partijen in de medisch specialistische zorg. Doen of laten? en ZE&GG werken intensief samen op allerlei terreinen, onder andere via het RODEO-netwerk. 

ZE&GG is ontstaan vanuit het Hoofdlijnenakkoord uit 2018 en wordt voortgezet in het Integraal Zorgakkoord. ZE&GG omvat verschillende programma’s die doelmatigheid van de zorg als gemeenschappelijk doel hebben. Bij de NVKC is klinisch chemicus Madeleen de Geus-Bosma (LUMC) contactpersoon voor de Federatie Medisch Specialisten wat betreft ZE&GG. ‘Binnen ZE&GG gaat het onder meer om het in kaart brengen van kennishiaten met behulp van kennisagenda’s’, zo vertelt ze. ‘In 2018 had de NVKC een kennisagenda opgesteld, maar daar is helaas uiteindelijk weinig zorgevaluatie-onderzoek uit voortgekomen. Daarom bereiden we nu een nieuwe kennisagenda voor met onderwerpen die kansrijker zijn. We gaan impactvolle onderwerpen zoeken die breed interessant gevonden worden. Het voordeel van de samenwerking binnen de FMS is dat we ervaringen op dit gebied kunnen delen en dat we gezamenlijk met andere verenigingen kennishiaten kunnen identificeren en aanpakken.’ Ze voegt eraan toe dat de richtlijnen een belangrijke rol spelen bij het in kaart brengen van kennishiaten. Onderhoud van richtlijnen is dus essentieel. 

De kennishiaten vallen onder Gepast Gebruik. Dit is de overkoepelende term waaronder wordt geagendeerd welke gezamenlijke zorg onderzocht moet worden. Deze zorg wordt vervolgens geëvalueerd en dan geïmplementeerd en verder gemonitord. Dit om na te gaan of de implementatie van die zorg in de verschillende ziekenhuizen en klinieken daadwerkelijk plaatsvindt. De Geus-Bosma: ‘Zo blijven we met deze cirkel continu bestaande zorg evalueren en bewezen effectieve zorg implementeren.’
Er wordt volgens De Geus-Bosma binnen de klinische chemie mogelijk al onderzoek uitgevoerd dat onder zorgevaluatie kan vallen, maar niet als zodanig gelabeld is en daardoor ook niet vermeld wordt op de evaluatieagenda van ZE&GG. Resultaten van zorgevaluatie-onderzoek en andere inzichten met bewijsvoering, waarbij sprake is van praktijkvariatie en/of onvoldoende implementatie in de praktijk, kunnen opgenomen worden in de implementatie-agenda van ZE&GG. 

Om de cirkel van gepast gebruik continu in te bedden in de vereniging, wordt een werkgroep opgericht. NVKC-leden die zich willen aanmelden voor de werkgroep of die ideeën hebben voor de kennis-, evaluatie- of implementatie-agenda kunnen contact opnemen met Madeleen de Geus-Bosma.